Nieuw type bloedtest kan tot 24 uur na ongeval worden uitgevoerd
KCE: bloedonderzoek kan CT-scan na licht hoofdtrauma vervangen
Patiënten die zich met een licht hoofdtrauma op de spoeddienst aanmelden, krijgen in België vaak een CT-scan om hersenletsel uit te sluiten. Bloedonderzoek kan het gebruik van beeldvorming reduceren, blijkt uit een nieuwe studie van het KCE.
Hoofdtrauma komt in België voor bij ongeveer 40.000 patiënten per jaar. Om interne bloedingen of andere hersenletsels uit te sluiten, krijgen ook patiënten met een mild hoofdtrauma vaak een CT-scan, hoewel de kans op een dergelijke complicatie bij mild trauma laag is.
CT-scans stellen patiënten echter bloot aan röntgenstraling, verlengen het verblijf op de spoedafdeling en brengen hoge kosten met zich mee.
Klinische beslisregels en biomarkers
Daarom werden gevalideerde klinische beslisregels ontwikkeld om hersenletsels bij patiënten met een mild hoofdtrauma uit te kunnen sluiten en dus het aantal scans in deze groep te doen dalen.
Een voorbeeld van een dergelijke beslisregel is de Canadian CT Head Rule. Daarbij wordt rekening gehouden met zorgwekkende symptomen, kenmerken van de patiënt (zoals leeftijd of gezondheid) en de omstandigheden van het ongeval. Deze algoritmen werden uitgebreid getest in de klinische praktijk en blijken een veilige aanpak te bieden.
Dergelijke beslisregels kunnen bij 30-40% van de patiënten met een mild hoofdtrauma een overbodige CT-scan voorkomen. Er blijft dus nog een aanzienlijke groep patiënten over bij wie toch een CT scan moet worden uitgevoerd.
Aan de hand van biomarkers die in het bloed kunnen worden gemeten, kan hersenletsel na licht hoofdtrauma worden uitgesloten. Bij een negatief resultaat (d.w.z. de biomarkers wijzen niet op letsel), is een CT-scan niet nodig: de patiënt kan dan gewoon naar huis, met duidelijk advies over wat hij moet doen als er nieuwe symptomen optreden.
De meeste spoeddiensten gebruiken wel één of meerdere algoritmen of andere hulpmiddelen, maar vertrouwen toch nog vaak op scans.
GFAP en UCH-L1
Ongeveer tien jaar geleden formuleerde het KCE al aanbevelingen over het gebruik en de terugbetaling van een eerste bloedtest op basis van het S100β-eiwit.
Een nieuwe studie onderzoekt tests gebaseerd op twee biomarkers: de eiwitten gliale fibrillaire zure proteïne (GFAP) en ubiquitine carboxyl-terminaal hydrolase L1 (UCH-L1). De nieuwe tests bieden ten opzichte van het bestaande product voornamelijk het voordeel dat ze tijdens een langer interval na het ongeval (12 tot 24 uur) gebruikt kunnen worden.
Een meta-analyse van 15 studies, met in totaal 10.440 volwassen patiënten, toont dat de gemiddelde sensitiviteit van de GFAP+UCH-L1-meting 98% (95%CI: 96-99) bedraagt. Een geruststellend (negatief) resultaat is dus bijna altijd correct.
Anderzijds heeft de test een lage specificiteit 29% (95%CI: 25-34). Een positief resultaat kan dus wijzen op hersenletsel, maar ook op andere problemen. Bij patiënten met een positief resultaat blijft een scan daarom noodzakelijk om uit te maken of er al dan niet sprake is van hersenletsel. Dit gebrek aan specificiteit is vooral uitgesproken bij bepaalde groepen, zoals ouderen.
De kloof tussen theorie en praktijk
Uit een enquête bij Belgische spoeddiensten blijkt dat bloedtests met biomarkers nog weinig bekend zijn, weinig vertrouwen genieten en weinig worden gebruikt na hoofdtrauma. Ze worden bovendien (nog) niet terugbetaald door het RIZIV.
Slechts één van de deelnemende ziekenhuizen gebruikt al een biomarker-test, deze met het S100β-eiwit. De meeste spoeddiensten gebruiken wel één of meerdere algoritmen of andere hulpmiddelen, maar vertrouwen toch nog vaak op scans.
De studie haalt daarvoor verschillende redenen aan: een CT-scan kan meestal zeer snel worden uitgevoerd, biedt maximale zekerheid en veiligheid, en wordt, in tegenstelling tot tests met biomarkers, volledig terugbetaald door de ziekteverzekering.
"Het is dan ook weinig realistisch te verwachten dat de combinatietest [GFAP+UCH-L1, red.] op grote schaal zou worden gebruikt zolang dit gebruik niet actief wordt aangemoedigd door de beroepsverenigingen van artsen-specialisten en het RIZIV, en zolang deze laatste de test niet terugbetaalt", stelt de studie.
Klinisch algoritme blijft onmisbaar
De GFAP+UCH-L1-tests werden enkel goedgekeurd als aanvulling op een klinische evaluatie. Ze mogen dus niet op zichzelf worden gebruikt. Om het aantal onnodige scans effectief te verminderen, moeten de patiënten bij wie de test nuttig kan zijn dus zorgvuldig geselecteerd worden aan de hand van een klinisch algoritme.
Als het algoritme aangeeft dat een CT-scan hoe dan ook nodig is, biedt de test geen extra medisch of economisch voordeel. Bij groepen waar de test een zeer lage specificiteit heeft, zoals ouderen, zou de invoering ervan het aantal scans nauwelijks verminderen.
Daarnaast hangt de impact van de test sterk af van wat er na een negatief resultaat gebeurt: wordt de patiënt naar huis gestuurd, onder observatie geplaatst, of wordt er toch nog een scan uitgevoerd ‘om zeker te zijn’?
Op deze vragen zijn nog geen duidelijke antwoorden, zegt de studie, die oproept tot een evaluatie van de
meerwaarde van deze tests in de praktijk.
San Miguel L, Roberfroid D, Jespers V. Gebruik van bloedbiomarkers om een hersenletsel na licht hoofdtrauma uit te sluiten – Synthese. Health Technology Assessment (HTA). Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE). 2026. KCE Reports 415As.