Rechtzetting in wijzigingen van de WUG
Het Staatsblad van 2 februari maakt een rechtzetting bekend in de wet van 25 november 2025 houdende diverse bepalingen inzake gezondheid. De rechtzettingen betreffen klinische orthopedagogiek.
Herman Nys, em. prof. medisch recht KU Leuven
De rechtzetting heeft betrekking op artikel 6 van de wet van 25 november 2025, dat een aantal wijzigingen aanbrengt in artikel 68/2 van de WUG - meer bepaald in de federale versie van dit artikel, hoewel de rechtzetting dit niet met zoveel woorden vermeldt.
Erkenning voor de uitoefening van de klinische orthopedagogiek
Artikel 68/2, § 1, eerste lid WUG luidde: ‘Buiten de in artikel 3, § 1, bedoelde beoefenaars (artsen, red.) mag alleen de houder van een erkenning uitgereikt door de minister bevoegd voor volksgezondheid de klinische orthopedagogiek uitoefenen’.
Het rechtgezette artikel 6, 1° van de wet van 25 november 2025 heft de woorden ‘uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid’ op.
Deze rechtzetting wekt verbazing, want het oorspronkelijke artikel 6, 1° bevatte al een identieke bepaling: ‘1° in paragraaf 1, eerste lid, worden de woorden “uitgereikt door de minister bevoegd voor Volksgezondheid” opgeheven’ (Staatsblad, 31 december 2025).
Vervanging stage klinische orthopedagogiek
Artikel 68/2, § 1, vierde lid WUG bepaalde: ‘In afwijking van het eerste lid, mag ook de houder van het diploma in het domein van de klinische orthopedagogiek die de in paragraaf 4 bedoelde professionele stage heeft aangevat, de klinische orthopedagogiek uitoefenen zonder voorafgaand te zijn erkend, met dien verstande dat de afwijking wordt beperkt in de tijd tot de duur van de professionele stage’.
Artikel 6, 2° (dat niet voorkomt in de wet van 25 november 2025) heft deze bepaling op.
Artikel 68/2, §2, eerste lid WUG bepaalde: ‘De Koning bepaalt de voorwaarden voor het verkrijgen, het behoud en de intrekking van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde erkenning, inzonderheid de leerstof die moet zijn verwerkt en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische orthopedagogiek te verkrijgen.
Artikel 6, 3° (dat niet voorkomt in de wet van 25 november 2025) vervangt de woorden "en de stages die moeten zijn gevolgd om de erkenning in de klinische orthopedagogiek te verkrijgen" door de woorden "en intervisie, supervisie en permanente vorming die moeten zijn gevolgd".
Artikel 68/2, § 4 bepaalde dat met het oog op de erkenning in de klinische orthopedagogiek, de houder van een diploma in het domein van de klinische orthopedagogiek als bedoeld in paragraaf 2, tweede lid na zijn opleiding een professionele stage diende te volgen.
Artikel 6, 4° (dat niet voorkomt in de wet van 25 november 2025) heft deze paragraaf op.