Grondwettelijk Hof
Wijziging verjaringstermijn in covidperiode schond gelijkheidsbeginsel niet
Dat de wetgever de verjaringstermijn voor de terugbetaling van ten onrechte verleende prestaties tijdens de covid-periode heeft gewijzigd, schendt het gelijkheidsbeginsel niet. Dat stelt het Grondwettelijk Hof in een nieuw arrest.
Herman Nys, em.prof. medisch recht KU Leuven
Het Grondwettelijk Hof velde op 21 mei een arrest inzake een prejudiciële vraag betreffende artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 ‘tot bekrachtiging van de KB ‘s genomen met toepassing van de wet van 27 maart 2020 die machtiging verleent aan de Koning om maatregelen te nemen in de strijd tegen de verspreiding van het coronavirus COVID-19 (II)’.
De vraag was gesteld door de Arbeidsrechtbank te Luik, afdeling Verviers.
Verschil in termijn terugbetaling onterecht verleende prestaties
De prejudiciële vraag had betrekking op de verenigbaarheid van artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (gelijke behandeling).
Het verwijzende rechtscollege verzocht het Hof zich uit te spreken over het verschil in behandeling onder de sociaal verzekerden die ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten onrechte verleende prestaties hebben genoten, naargelang de tegen hen ingestelde vordering tot terugbetaling al dan niet was verjaard vóór 13 maart 2020.
Wetgever heeft ruime beoordelingsvrijheid
Hoewel de wetgever bij het vaststellen van de verjaringsregels over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt, dient hij bij het vaststellen van die regels de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in acht te nemen, aldus het Grondwettelijk Hof.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Wetgever moet beleid kunnen aanpassen
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie verzet er zich niet tegen dat de wetgever terugkomt op zijn oorspronkelijke doelstellingen om er andere na te streven. In het algemeen trouwens moet de overheid haar beleid kunnen aanpassen aan de wisselende vereisten van het algemeen belang.
Het is inherent aan een nieuwe regeling dat een onderscheid wordt gemaakt tussen personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de vroegere regeling vallen en personen die betrokken zijn bij rechtstoestanden die onder het toepassingsgebied van de nieuwe regeling vallen.
Een dergelijk onderscheid maakt op zich geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uit. Elke wetswijziging zou onmogelijk worden, indien zou worden aangenomen dat een nieuwe bepaling deze grondwetsartikelen zou schenden enkel en alleen om de reden dat zij de toepassingsvereisten van de vroegere regeling wijzigt.
Geen schending van het gelijkheidsbeginsel
Volgens het Hof is de vergelijking in de prejudiciële vraag van, enerzijds, de situatie van de sociaal verzekerden ten aanzien van wie de vordering tot terugbetaling van de ten laste van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen ten onrechte verleende prestaties was verjaard vóór 13 maart 2020 met, anderzijds, die van de sociaal verzekerden ten aanzien van wie die vordering niet was verjaard vóór die datum, niet pertinent.
De vergelijking in de prejudiciële vraag heeft betrekking op situaties die zijn geregeld door bepalingen die op verschillende tijdstippen van toepassing zijn. Zij behoren niet (anders zou iedere wijziging van de wetgeving onmogelijk worden) tot die welke moeten worden onderzocht om na te gaan of de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Bijgevolg is artikel 16, § 1, eerste lid, van de wet van 24 december 2020 verenigbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.