Moeilijk te behandelen reumatoïde artritis: pentraxine 3 biedt soelaas
Pentraxine 3 (PTX3) is geen nieuw geneesmiddel voor de behandeling van reumatoïde artritis (RA), maar een eiwit van de aangeboren immuniteit dat de ontsteking regelt. Bij RA-patiënten die pijn blijven hebben hoewel de systemische ontsteking onder controle lijkt te zijn, zijn hoge concentraties antistoffen tegen PTX3 vastgesteld. Is dat een nieuwe biomarker van een nog altijd actieve ziekte?

Een van de intrigerende ontdekkingen over auto-immuniteit is dat bij een derde van de patiënten met een seronegatieve RA (dus zonder ACPA) antistoffen tegen pentraxine 3 zijn teruggevonden. Die antistoffen remmen de werking van PTX3, een essentieel herkenningseiwit in de aangeboren immuniteit, dat invloed heeft op de respons op infectie, de ontstekingsverschijnselen en het weefselherstel. Volgens preklinische en klinische gegevens hebben PTX3-antistoffen ontstekingsremmende en immunomodulerende eigenschappen bij systemische lupus erythematosus en vasculitis. En bij RA?
Een matig ernstige tot ernstige ziekte
De studie(1) is uitgevoerd bij 83 RA-patiënten van gemiddeld 63 jaar. De gemiddelde duur van de RA was 16 jaar en het gemiddelde CRP-gehalte 6,7 mg/l. 42 patiënten hadden een seropositieve RA en 41 een seronegatieve. De vorsers hebben de correlatie onderzocht tussen de serumspiegel van PTX3-antistoffen en de ziekteactiviteit en door de patiënt zelf gerapporteerde uitkomstmaten (PROM).
In de helft van de gevallen was de RA matig tot zeer actief (CDAI-score). De meeste patiënten werden behandeld met methotrexaat en b/tsDMARD’s. De pijnscores, het aantal gevoelige gewrichten en de PtGA-score waren significant hoger bij de patiënten met een seronegatieve dan bij de patiënten met een seropositieve RA.
Link tussen PTX3-antistoffen en PtGA
De PTX3-antistoftiter was lager bij de patiënten met een seropositieve RA dan bij de controlepatiënten met een psoriatische artritis (p = 0,001) of fibromyalgie (p = 0,004). De titer was hoger bij de patiënten met een seronegatieve RA dan bij de patiënten met een seropositieve (p = 0,032). De PTX3-antistoftiter correleerde met de CDAI-score (r = 0,255), de PtGA (r = 0,257), de algemene gezondheid (r = -0,235) en de pijn op een visuele analoge schaal (r = 0,233) en de HAQ (r = 0,311), maar niet met het aantal aangetaste gewrichten, de ontstekingsmarkers of de totaalevaluatie door de arts. De correlatie met de PtGA-score bleef significant na correctie voor de BMI, het aantal gezwollen gewrichten (SJC28), de bezinkingssnelheid en de dosering van prednison (β = 0,206, p = 0,042).
De PTX3-antistoftiter was hoger bij patiënten met een RA die nagenoeg volledig onder controle was (SJC28 ≤ 2, PtGA> 2), dan bij de patiënten bij wie de RA volledig onder controle was (SJC28 ≤ 2, PtGA ≤ 2; p = 0,048).
Een signatuur van resterende ziekte
Een hoge PTX3-antistoftiter bij een patiënt met RA wijst erop dat de ziekte nog actief is, ook als de ontsteking onder controle lijkt, en dat is vooral zo bij patiënten met een seronegatieve RA. Op grond van die biomarker kan je dus een geschikte behandeling voorschrijven voor een ziekte die niet wordt gedetecteerd met de klassieke ontstekingsmarkers.
Referenties:
1. Salvato M, et al. Anti-pentraxin 3 antibodies and residual disease activity in rheumatoid arthritis, Rheumatology, Volume 64, Issue 4, April 2025, Pages 1672–1678, https://doi.org/10.1093/rheumatology/keae529