Diagnose en behandeling van MODY anno 2026: een overzicht
ZOOM Maturity-onset diabetes of the young (MODY) wordt nog steeds te weinig gediagnosticeerd: naar schatting 80% van de patiënten wordt in eerste instantie ten onrechte beoordeeld als type 1- of type 2-diabetes. (1)
MODY wordt voornamelijk gekenmerkt door een verminderde insulinesecretie met minimale of geen stoornissen in de insulinewerking met doorgaans een vroeg optredende milde hyperglykemie die in de loop van de tijd kan verergeren, afhankelijk van het betrokken gen en de onderliggende genetische variant.

Klassieke screeningscriteria
De klassieke MODY-screeningscriteria omvatten een vroege aanvang (initieel gedefinieerd als jonger dan vijfentwintig jaar, maar nu uitgebreid tot de leeftijd van veertig jaar), afwezigheid van auto-antilichamen en een suggestieve familiegeschiedenis met diabetes in minstens twee opeenvolgende generaties. (2) Daarnaast zijn detecteerbaar C-peptide gedurende drie tot vijf jaar na diagnose en afwezigheid van DKA bij diagnose ook goede indicatoren. (3) Het vroegere criterium ‘zonder obesitas’ staat ter discussie. MODY komt immers steeds vaker voor samen met obesitas wat het klinisch onderscheid met type 2-diabetes nog moeilijker maakt.
Beperkingen huidige criteria
In een multicultureel Amerikaans pediatrisch cohort was 52% van de MODY-patiënten niet-blank, had 24% van de ouders van de patiënten geen diabetes en had 22% bij de diagnose overgewicht of obesitas, wat de toepasbaarheid van de huidige richtlijnen ondermijnt.(4) Bij andere cohortonderzoeken is er sprake van tot 86% gemiste diagnoses bij diabetes na de leeftijd van veertig jaar en ook bij jongere MODY-patiënten blijkt een groot deel geen correcte diagnose te krijgen.
14 subtypes en 22 betrokken genen
MODY volgt doorgaans een autosomaal dominant overervingspatroon, waarbij pathogene varianten zijn geïdentificeerd in minstens 22 genen. (5) De traditionele classificatie onderscheidt 14 MODY-subtypes, elk verbonden aan een enkel gen.
Recente evaluaties door het ClinGen Gene Curation Expert Panel weerlegden echter drie van deze genen — KLF11 (MODY7), PAX4 (MODY9) en BLK (MODY11) — omdat deze varianten op populatieniveau veel voorkomen zonder fenotypisch gevolg en ze niet vaker terug te vinden zijn in MODY-cohorten.
Ander onderzoek uit 2025 toonde dat ook APPL1 (MODY14) en WFS1 niet frequenter voorkomen in MODY-cohorten. (6) De meest gemelde subtypen blijven ook vandaag GCK-MODY (MODY2), HNF1A-MODY (MODY3), HNF1B (MODY5) en HNF4A-MODY (MODY1).
Bij familiale autosomaal dominante symptomatische diabetes moeten mutaties in het HNF1A-gen worden beschouwd als de eerste diagnostische mogelijkheid. Specifieke kenmerken kunnen wijzen op subtypes van MODY, zoals een ontwikkelingsstoornis van de nieren of niercysten (HNF1B-MODY), macrosomie en/of neonatale hypoglycemie (HNF4A-MODY), exocriene pancreasdysfunctie of pancreascysten (CEL-MODY), of gehoorbeperking en maternale overerving van diabetes (mitochondriale diabetes). (3)
NGS-panels
Met de intrede van next-generation sequencing (NGS) en genotypegestuurde therapie is er een verfijning mogelijk van zowel de diagnostische trajecten als de behandeling. Daarom werd de klassieke Sanger-sequencing in veel centra vervangen door NGS als eerstelijns genetische test. Daar waar Sanger-sequencing één specifiek DNA-fragment analyseert, zijn dit bij NGS in één run miljoenen DNA-fragmenten tegelijkertijd. Bij gebruik van uitgebreide multigenpanels kunnen naast veelvoorkomende varianten ook zeldzame subtypen worden opgespoord. ISPAD beveelt NGS aan als de eerste keuzemethode voor diagnosestelling. (3)
MODY is een uitstekend voorbeeld van precisiegeneeskunde: door de specifieke pathogene variant te kennen, kan men de behandeling afstemmen op de onderliggende genetische afwijking.
Voorbeeld van precisiegeneeskunde
MODY is een uitstekend voorbeeld van precisiegeneeskunde: door de specifieke pathogene variant te kennen, kan men de behandeling afstemmen op de onderliggende genetische afwijking. Zo leidde de genetische diagnose in een Turkse cohorte bij 14 patiënten tot onmiddellijke aanpassingen van de behandeling, waaronder het staken van insuline in drie gevallen van KATP-kanaal-MODY en in één geval van INS-MODY. Uit ander onderzoek bleek dat bij 75% van de patiënten na moleculaire bevestiging concrete behandelingswijzigingen worden doorgevoerd.
Aangepaste behandeling
Sulfonylurea (SU’s) blijven de meest aanbevolen behandeling voor HNF1A-, HNF4A-, ABCC8- en KCNJ11-MODY, waarbij in verschillende observationele studies consequent een betere glykemie werd aangetoond met soms de mogelijkheid om insuline af te bouwen. GCK-MODY wordt buiten de zwangerschap zonder medicatie behandeld.
Tijdens de zwangerschap hangt de keuze van behandeling af van het genotype van de foetus en wordt insuline aanbevolen wanneer er een risico op macrosomie is. Tot slot blijft insuline de hoeksteen bij de behandeling van HNF1B- en INS-MODY, al dan niet aangevuld met andere therapie. (4)
Nieuwe paden voor de toekomst
Daar waar het effect van SU’s door veel data op een consistente wijze wordt bevestigd, is de rol van op incretine gebaseerde therapieën en SGLT2-inhibitoren eerder verkennend en grotendeels gebaseerd op kleine studies en casuïstiek.
AAV-gemedieerde gentherapie (adeno-associated virus) voor MODY10 (INS-mutaties) toonde veelbelovende eerste resultaten. In preklinische studies konden ‘glucose-responsieve’ insuline-expressiesystemen zorgen voor een duurzame glykemiecontrole zonder dat er hypoglykemie optreedt. Opkomende technologieën zoals inkapselingsstrategieën en met CRISPR gemanipuleerde hypo-immuuncellen zullen eveneens in de toekomst zorgen voor betere behandelingen. (6)
Referenties:
1. Gao Y, et al. When to Consider a Diagnosis of Maturity-Onset Diabetes of the Young: Precise Diagnosis Leads to Better Management and Quality of Life for the Patients. A. J Med. 2025 Feb 11;15(1):41-45. doi: 10.1055/s-0045-1802584.
2. Giannopoulou EZ, et al. The conundrum in diagnosing Maturity-Onset Diabetes of the Young (MODY) in a large German pedigree with early-onset diabetes and a novel HNF1A variant. Mol Cell Ped. 2026 Apr 10;13(1):16. doi: 10.1186/s40348-026-00229-0.
3. Greeley SAW et al. ISPAD Clinical Practice Consensus Guidelines 2022: Diagnosis and management of monogenic diabetes in children and adolescents. Ped. Diab. 2022 Dec;23(8):1188-1211. doi: 10.1111/pedi.13426.
4. Zagaroli L, et al. Treatment Options for Patients with Maturity-Onset Diabetes of the Young (MODY): A Systematic Review of Literature: 2026 Update. Diab. Ther. 2026 Jul;17(7):959-983. doi: 10.1007/s13300-026-01884-2.
5. Mazloum A, et al. Maturity-Onset Diabetes of the Young 10 (MODY10): A Comprehensive Review of Genetics, Clinical Features, and Therapeutic Advances. Int J Mol Sci. 2025 Aug 21;26(16):8110. doi: 10.3390/ijms26168110.
6. Shi P, et al. Revisiting the heterogeneity of maturity-onset diabetes of the young: A new classification scheme based on pathogenic mechanisms. Chin Med J. 2026 Jan 20;139(2):302-304. doi: 10.1097/CM9.0000000000003895.