AI alomtegenwoordig bij diabetes
ARTIFICIËLE INTELLIGENTIE Als er een domein in de geneeskunde is waar artificiële intelligentie voor een ware ommekeer heeft gezorgd, is dat ongetwijfeld het domein van diabetes.

Er is niet enkel de directe invloed van artificiële intelligentie (AI) op de hulpmiddelen om de glykemie te controleren, AI heeft ook een impact op de manier waarop we nu naar diabetes kijken. Wie had een decennium geleden verwacht dat de focus van HbA1c zou verschuiven naar zaken als time in range en glucosevariabiliteit?
Op het meest recente EASD-congres in Milaan werd, naast updates van algoritmes, nieuwe devices en indicaties voor continue glucosemonitoring (CGM), ook de eerste duale sensor voorgesteld, die zowel glucose als ketonen meet. Een verslag van een boeiende sessie (1) met onder meer prof. Christophe De Block (UZA) als spreker.
Ketonen: fysiologisch versus pathologisch
De vorming van ketonen is een normale reactie van het lichaam bij uithongering: iedereen zal ketose ontwikkelen, echter geen levensbedreigende acidose doordat er compensatoire mechanismen optreden: pulmonaal (CO2-uitademing, Kussmaul-ademhaling) en renaal (ketonurie die samen met glucosurie voor osmotische diurese zorgt). Verschillende studies toonden dat, als er geen acidose optreedt, ketonen eerder een positieve invloed hebben op zowel cardiale myocyten als op gestreepte spierweefselcellen. Pas wanneer het verschil tussen de mate en snelheid van ketonproductie en de compensatoire mechanismen te groot wordt, ontstaat acidose.
Criteria voor ketoacidose
In 2024 werden de volgende criteria voor diabetische ketoacidose (DKA) vastgelegd: er moet diabetes zijn (glykemie van 200 mg/dl of meer OF een voorgeschiedenis van diabetes), samen met ketose (ß-hydroxybutyraat van 3,0 mmol/l OF een ketonurie van ++ of meer op strips) en metabole acidose (pH kleiner dan 7,3 en/of bicarbonaat lager dan 18 mmol/l).
Hoeveel is te veel?
De threshold van 3,0 mmol ß-hydroxybutyraat werd bepaald doordat bij deze concentratie patiënten ernstig ziek worden en medische hulp nodig is. Deze grens ligt wellicht anders bij kinderen door hun betere buffercapaciteit. Een stijging van 0,2 mmol/l/uur of meer wordt beschouwd als pathologisch, maar op het ogenblik bestaat er voor de patiënt, buiten capillaire ketonenmeters, geen enkele manier om dit accuraat te meten of te voorspellen.
De enige indicatie die een patiënt nu heeft is de glucometer of CGM die ‘HI’ aangeeft; vervolgens zou de patiënt ketonen moeten meten wat in de praktijk zeer weinig gebeurt.
De kip en het ei: wat is eerst?
Vaak wordt gedacht dat ketonen pas stijgen bij zeer hoge glykemiewaarden. Ondertussen weten we dat DKA al kan optreden bij een lagere glykemie, zelfs onder de 200 mg/dl (euglykemische DKA). Dit werd onder meer aangetoond in recent onderzoek (1,3) waar ook de grote variabiliteit tussen patiënten duidelijk werd. Bij patiënten waarbij de insulinepomp werd gestopt, zag men verschillende patronen: glucose (G) en ketonen (K) die simultaan gelijklopend stijgen of G die sneller dan K stijgt. Maar ook het omgekeerde werd gezien: eerst een stijging van K, daarna pas van G of situaties waarbij een van de twee stijgt en de andere bijna niet.
Nieuwe technologie
Om ketonemie beter op te volgen en te weten wanneer er moet ingegrepen worden, werd een nieuwe technologie ontwikkeld: continue ketonmonitoring (CKM). Prof. De Block geeft antwoord op prangende vragen zoals wanneer in te zetten, voor wie en hoe?
- Wanneer? Een hele lijst indicaties bestaat, beginnende met uiteraard het falen van een systeem voor Automated Insulin Delivery (AID) waarbij soms al na één tot twee uur een ketonstijging wordt gezien. Maar ook bij onder meer inadequate bolusdosering, wat soms met opzet gebeurt om gewicht te verliezen, of bij operaties en onderzoeken, waar de angst bestaat dat een hypo optreedt en insuline ondergedoseerd wordt. Verder is CKM aangewezen bij recurrente DKA (vertegenwoordigt 20% van alle DKA-opnames), bij ziekte, hoge stress, verminderde koolhydraatinname (minder dan 50 g per dag) of bij vasten. Euglykemisch DKA wordt vooral gezien bij gebruik van SGLT2i bij type 1-diabetes met een prevalentie van DKA die varieert tussen 1,5 tot 4%, waardoor mensen met type 1-diabetes mogelijk minder toegang krijgen tot de voordelen van deze geneesmiddelenklasse. Tot slot moet ook aan gebruik bij intensief sporten, zwangerschap, en zwaar alcoholgebruik gedacht worden.
- Voor wie? Studies tonen dat 64 tot 92% van de mensen met bestaande type 1-diabetes nooit ketonen meet, 32% kent de term DKA niet en 46% kent geen enkel symptoom van deze levensbedreigende conditie. (2) Zeker mensen met type 1-diabetes en een AID of bij gebruik van SGLT2i zouden in aanmerking moeten komen.
- Hoe? Het eerste dual sensing device waarbij glucosemonitoring gecombineerd wordt met ketonenmonitoring, ontving net een FDA-goedkeuring en een CE-markering, waardoor het op de markt kan gebracht worden. Een paar andere zijn in ontwikkeling.
Expertaanbevelingen
The Lancet (4) publiceerde dit jaar internationale expertaanbevelingen voor de toepassing van CKM. Daarin wordt voorgesteld om met kleurencodes te werken in functie van de ketonemie: groen (0-0,6 mmol/L = normaal), geel (0,6-1,5 mmol/L = verhoogd), oranje (1,5-3,0 mmol/L = hoog), rood (boven de 3,0 mmol/L = medische urgentie). Prof. De Block benadrukt dat naast deze kleurcode de symptomen enorm belangrijk blijven, maar ook de trend waarmee de ketonemie evolueert.
De toekomst
Daar waar we nu voor glykemie met time in range, above en below range werken, is het wellicht nuttig om in de toekomst bij gebruik van CKM niet enkel naar de kleurencodes te kijken, maar ook naar time above 0,6, 1,5 en 3,0 mmol/l en doelen te stellen. Ketose niveau 1 (boven 1,0 mmol/l) zou minder dan 3% van de tijd mogen voorkomen, niveau 2 (boven 1,5 mmol/l) zou minder dan 1% mogen bedragen.
Tot slot zijn er nog een aantal open vragen die een antwoord moeten krijgen vooraleer CKM een echte plek in de kliniek kan krijgen: wat is de tijd tussen interstitiële en capillaire ketonen (is er zoals bij glucosesensoren ook een lag time)? Moeten we andere cut-offs hanteren in verschillende situaties (sport, 'low carb'-dieet, ziekte,...)? Welke trend pijlen moeten er gehanteerd worden (een verandering van 0,4 mmol/l lijkt redelijk)? Kan integratie van CKM de huidige algoritmen voor AID nog verbeteren en hoe moeten deze algoritmes worden aangepast?
Net zoals bij de komst van CGM zullen wellicht ook al deze vragen binnen afzienbare tijd worden beantwoord en zullen we ons over een paar jaar niet meer kunnen voorstellen hoe het zonder CKM was.
Bronnen:
1. EASD-congres: Continuous ketone monitoring: a novel technology.
2. Bergenstal RM, et al. Real-World Ketone Testing Patterns Among People Using FreeStyle Libre. Diabetes Technol Ther. 2026 Oct;28(10):1090-1097.
3. Data presented at EASD, Data on file Abbott Diabetes Care.
4. Dhatariya K, et al. Continuous ketone monitoring for people with diabetes: international expert recommendations on the application of a new technology. The Lancet Diabetes & Endocrinology, 14, 82-92