Gemetastaseerde hormoonafhankelijke borstkanker: ctDNA zet paradigma op zijn kop
ASCO-CONGRES De geüpdatete resultaten van de SERENA-6-studie werden gepresenteerd tijdens een plenaire sessie op de laatste dag van het congres.(1) De studie bevestigt het klinische nut van follow-up van circulerend tumoraal DNA bij een gemetastaseerde hormoonafhankelijke borstkanker. Met een simpele bloedafname kan je nagaan of er ESR1-mutaties zijn opgetreden. In voorkomend geval kan je beslissen van behandeling te veranderen, ook als er nog geen klinische of radiologische tekenen van progressie zijn. Zo’n behandeling op maat verlaagt het risico op progressie/overlijden met 55%.

Het ESR1-gen codeert voor oestrogeenreceptoren. Bij een gevorderde of gemetastaseerde ER+/HER2- borstkanker heeft de ontdekking van mutaties(2) van het ESR1-gen geleid tot het idee dat een oestrogeendepletie door aromataseremmers ineffectief zou zijn.(3) Andere studies hebben aangetoond dat je op grond van die mutaties een behandeling op maat kunt uitstippelen. Tegen die achtergrond is de SERENA-6-studie uitgevoerd.
De eerste resultaten, die op ASCO 2025 werden gepresenteerd, waren dat je door analyse van het ctDNA met een “vloeibare biopsie” het optreden van resistentie kunt voorspellen nog voor er tumorprogressie is. De progressievrije overleving (PFS) verbetert sterk als je dan de behandeling dienovereenkomstig aanpast (HR = 0,44). Volgens nieuwe studies loont die strategie op lange termijn.
De opzet van de SERENA-6-studie
Een gevorderde of gemetastaseerde ER+/HER2- borstkanker wordt meestal behandeld met een aromataseremmer plus een CDK4/6-remmer. Bijna 40% van de patiënten zal echter ESR1-mutaties ontwikkelen, waardoor de tumorcellen resistent worden tegen aromataseremmers, met tumorprogressie als gevolg.
In de SERENA-6-studie werd de perorale hormoontherapie – zodra er ESR1-mutaties werden gedetecteerd – vervangen door camizestrant (CAMI), een orale SERD (Selective Estrogen Receptor Degraders) van een nieuwe generatie, in combinatie met een CDK4/6-remmer (n = 157). Bij 158 patiënten werd de standaardbehandeling voortgezet tot radiologische progressie. 315 van de geteste 3.256 patiënten hadden ESR1-mutaties zonder progressie.

Waarde ruimschoots bewezen
Bevindingen na een mediane follow-up van 7,6 maanden:
- Mediane PFS 16,8 maanden in de CAMI-groep en 9,2 maanden in de controlegroep, dus een verschil van 7,6 maanden, en een daling van de incidentie van progressie/overlijden met 55% (HR =0,45, p < 0,00001).
- De mediane PFS2 bedroeg 25,7 maanden in de CAMI-groep en 19,1 maanden in de controlegroep, een verschil van 6,6 maanden, en een daling van de incidentie van progressie/overlijden met 37%(HR = 0,63, p = 0,00373).
- Mediane daling van de hoeveelheid ctDNA na acht weken met 99% in de CAMI-groep en stijging met 64% met de standaardbehandeling.
- Totale klaring van ctDNA bij respectievelijk 51% en 1,9% van de patiënten.
- Geen nieuwe veiligheidsproblemen.
Minder chemo, betere levenskwaliteit
De SERENA-studie toont aan dat je de behandeling kunt aanpassen op grond van het ctDNA. Meer nog, het gunstige effect houdt aan, zodat je chemotherapie kunt uitstellen en de levenskwaliteit van de patiënte kunt vrijwaren. Klaring van ctDNA tijdens behandeling met CAMI is synoniem met een betere overleving. De gegevens over de totale overleving zijn nog ‘immatuur’, maar er is toch al een positieve tendens (HR = 0,87). In de praktijk rijst de vraag of opsporing van mutaties haalbaar is. De SERENA-studie is een belangrijke stap voorwaarts naar een precisiegeneeskunde bij gevorderde/gemetastaseerde ER+/HER2- borstkanker.
Referenties:
1. Bidart F-C, et al. ASCO 2026;#LBA1007
2. Robinson DR, et al. Nat Genet 2013;45:1446–1451.doi: 10.1038/ng.2823
3. Chu D, et al. Clin Cancer Res 2016;22:993–999. doi: 10.1158/1078-0432.CCR-15-0943