Type 2-diabetes: nieuwe prioriteiten naast de glykemie
EASD-CONGRES Volstaat het HbA1c-gehalte om te stellen dat een type 2-diabetes goed onder controle is? Op het EASD 2026 is de nieuwe consensus van de ADA en de EASD gepresenteerd. Die plaatst de therapeutische keuze in perspectief nu de therapeutische mogelijkheden veel verder reiken dan louter controle van de glykemie.

Klassiek wordt de behandeling vooral aangepast op geleide van het HbA1c-gehalte en worden antidiabetica toegevoegd als de streefwaarde voor de glykemie niet wordt bereikt. Die logica volstaat echter niet meer. De consensus van de ADA en de EASD van 2026 plaatst de preventie van complicaties en comorbiditeit centraal bij de keuze van de behandeling (figuur).

Bron: Davies MJ, Aroda VR, Bajaj M, et al. Management of type 2 diabetes, 2026. A consensus report by the American Diabetes Association (ADA) and the European Association for the Study of Diabetes (EASD). Diabetologia. 2026. https://doi.org/10.1007/s00125-026-06855-7. Licence: Creative Commons Attribution 4.0 International (CC BY 4.0). https://creativecommons.org/licenses/by/4.0/
De glykemie verliest echter niet aan belang. Een tijdige en langdurige controle van de glykemie is belangrijk om microvasculaire complicaties tegen te gaan. Een HbA1c-gehalte van 6,5-7% of nog lager is een redelijk doel bij veel volwassenen met een voldoende lange levensverwachting om daar baat bij te vinden. De keuze van de behandeling hangt echter ook af van het cardiovasculaire risico, de nierfunctie, het gewicht en de voorkeur van de patiënt. Bij patiënten met eenzelfde HbA1c-gehalte kan de behandeling toch verschillen.
Vroeger toeslaan
Vooral de volgorde van de behandelingen verandert. SGLT2-remmers en GLP-1-agonisten (waaronder ook tirzepatide, een GIP- en-GLP-1-receptoragonist) worden niet meer enkel voorgeschreven om een persisterende hyperglykemie te corrigeren. Bij de meeste patiënten zou je moeten overwegen die geneesmiddelen in een vroeg stadium, zo mogelijk al bij het stellen van de diagnose, voor te schrijven samen met niet-farmacologische maatregelen, therapeutische educatie en controle van de cardiovasculaire risicofactoren.
Ze verlagen immers niet alleen de glykemie, maar kunnen ook het hart en de nieren beschermen en een gewichtsverlies bewerkstelligen. Je hoeft dus niet meer te wachten tot metformine niet meer werkt. Metformine blijft echter belangrijk gezien zijn effect op de glykemie, het lage risico op hypoglykemie in monotherapie en de lage kosten. Bij een patiënt die een laag risico loopt, zonder orgaanaantasting, met een beperkte hyperglykemie blijft een stapsgewijs beleid mogelijk. Vroeger behandelen betekent daarom nog niet dat iedereen op dezelfde manier behandeld wordt.
'Vroeger behandelen betekent daarom nog niet dat iedereen op dezelfde manier behandeld wordt.'
Het cardiorenale profiel wordt bepalend
Een patiënt met bewezen cardiovasculaire atheromatose wordt bij voorkeur behandeld met een GLP-1-receptoragonist of een SGLT2-remmer gezien de bewezen heilzame cardiovasculaire effecten van die geneesmiddelen. Bij een patiënt met hartfalen is een SGLT2-remmer geïndiceerd, ongeacht de ejectiefractie. Bij zwaarlijvige patiënten met hartfalen met een gevrijwaarde ejectiefractie worden ook semaglutide of tirzepatide aanbevolen om de symptomen te verbeteren.
Bij chronisch nierlijden vormen SGLT2-remmers de sokkel van de cardiorenale bescherming, waar je eventueel een GLP-1-receptoragonist die zijn werkzaamheid heeft bewezen, aan kunt toevoegen. Je kan ook finerenon voorschrijven, met name bij albuminurie, onder de aanbevolen voorwaarden. Bij patiënten met een hoog cardiovasculair risico of een bewezen hart- en vaataandoening of nierziekte kan je ook snel een combinatie van een SGLT2-remmer en een GLP-1-receptoragonist voorschrijven, ongeacht het HbA1c-gehalte.
Dat moet echter in verhouding zijn tot het risico: bij eenzelfde daling van het relatieve risico zal het absolute verschil groter zijn bij patiënten met een bewezen hart- en vaataandoening of nierziekte. Je moet een sequentie van interventies opstellen en niet stelselmatig meer geneesmiddelen voorschrijven.
Het gewicht is een therapeutische doelstelling
Bij mensen met overgewicht of obesitas kan een vermagering van minstens 5% al gunstige metabole effecten hebben. Een nog sterkere vermagering met 10-15% kan de glykemiecontrole drastisch verbeteren en bij een aantal patiënten zelfs een remissie bewerkstelligen. Je moet de doelstellingen bij elke patiënt afzonderlijk vastleggen en streven naar een onderhoudsstrategie op lange termijn.
Als vermagering een therapeutische doelstelling is, schrijf je bij voorkeur antidiabetica voor die doen vermageren. Bij een aantal patiënten kan je bariatrische chirurgie overwegen. Je moet daarbij ook bijzondere aandacht besteden aan het vrijwaren van de spiermassa en -functie, vooral als de patiënt sterk vermagert dankzij een GLP-1-receptoragonist.
Dat is ook zo in geval van bepaalde comorbiditeiten. Bij MASLD (Metabole disfunctie geAssocieerde Steatotische Leverziekte) zijn vermagering en lichaamsbeweging essentieel. Bij patiënten die ook zwaarlijvig zijn, wordt een GLP-1-receptoragonist die zijn werkzaamheid bewezen heeft, aanbevolen. Bij een bioptisch bewezen metabole steatohepatitis (MASH) schrijf je bij voorkeur semaglutide , tirzepatide of pioglitazon voor. Bij zwaarlijvige patiënten met een obstructief slaapapneusyndroom geef je de voorkeur aan tirzepatide of bepaalde GLP-1-agonisten in aanvulling op een specifieke behandeling van de apneu.
Een bredere behandeling
De consensus hamert op het belang van het gedrag dag en nacht volgens de vijf S-en: meer staan (standing), stappen (stepping), aerobe lichaamsbeweging nemen (sweating), de spieren versterken (strengthening) en een goede slaap (sleep). Voorts een gezonde voeding, zelfmanagement en psychologische ondersteuning. Ook die elementen moet je regelmatig controleren.
Dat is ook zo als de ziekte verergert. Als insuline nodig wordt, schrijf je een basale insuline voor, zo mogelijk met behoud van de beschermende behandelingen. Bij een fragiele patiënt of een patiënt die gemakkelijk hypo’s ontwikkelt, vooral bij behandeling met sulfonylureumderivaten, kan het beter zijn het aantal geneesmiddelen te verlagen dan de behandeling te intensiveren.
Dat alles moet echter wel haalbaar zijn. De kosten, de toegang tot geneesmiddelen, de bijwerkingen, de mogelijke follow-up en de voorkeur van de patiënt hebben uiteraard invloed op de keuze van de behandeling. De consensus raadt aan niet meer te wachten tot de glykemie verergert om iets te doen aan de risico’s, die de prognose op lange termijn bepalen, en de intensiteit van de behandeling bij elke patiënt afzonderlijk aan te passen.
Referentie:
Management of type 2 diabetes, 2026. A consensus report by the American Diabetes Association (ADA) and the European Association for the Study of Diabetes (EASD). Diabetologia, 2 oktober 2026. DOI: 10.1007/s00125-026-06855-7