Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke
"Geen Wilde Westen van supplementen"
Vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Frank Vandenbroucke zal geen bijkomende besparingen in de gezondheidszorg aanvaarden. Evenmin wil hij nog meer maatregelen die mensen met een langdurige ziekte treffen.
Frank Vandenbroucke: In het regeerakkoord zijn afspraken gemaakt over een derde golf van maatregelen om langdurige ziekte aan te pakken, boven op twee golven die ik in de vorige legislatuur al geïmplementeerd had. Ik had kunnen zeggen: collega’s, that’s it. Dat heb ik niet gedaan.
Ik heb zelfs gezegd: gelet op de enorme budgettaire en sociale moeilijkheden creëren we een vierde golf maatregelen om mensen die langdurig ziek zijn beter op te volgen en nog meer dan vroeger te helpen om te re-integreren in de arbeidsmarkt. Ik organiseer daarover een ronde tafel, waarbij ik werkgevers wil laten luisteren naar wat behandelend artsen zeggen, en waarbij de ziekenfondsen en de bedrijfsartsen mee aan tafel zitten.
Dat is een enorme werf, die ik tot een goed einde wil brengen. Maar ik zeg heel duidelijk aan mijn politieke collega’s: vraag mij niet om daar nog eens een vijfde golf maatregelen aan toe te voegen. Ik zal stipt uitvoeren wat afgesproken is, en ik wil dat op mensenmaat doen. Menselijk ten aanzien van de behandelend artsen, want het is voor hen een nieuwe opdracht, en menselijk ten aanzien van de patiënten.

Vandaag (23 maart, red.) zijn de conventioneringscijfers voorgesteld op het Verzekeringscomité van het RIZIV. 85% van de artsen treedt toe tot het akkoord 2026-2027. Bent u daar tevreden mee?
Ik ben tevreden dat er een akkoord tot stand is gekomen, en 85% is een mooi cijfer. Het conventiesysteem blijft belangrijk: het creëert helderheid over de officiële tarieven en zekerheid voor patiënten dat zij terechtkunnen bij een grote groep artsen die deze tarieven respecteert.
Er zijn natuurlijk aandachtspunten. Bij oftalmologen, dermatologen en gynaecologen liggen de cijfers veel lager. Dat betekent dat het in sommige regio’s moeilijk blijft om een geconventioneerd arts te vinden in die disciplines.
Een tweede aandachtspunt is dat ook een geconventioneerde ziekenhuisarts bij opname in een eenpersoonskamer een supplement mag vragen. Ik vind dat dat moet kunnen; ik ben niet voor een volledig verbod op supplementen. Maar er zijn nog altijd grote excessen, zoals blijkt uit de laatste IMA-studie. Een relatief kleine minderheid van specialisten rekent het overgrote deel van de ereloonsupplementen aan, en de verschillen tussen ziekenhuizen zijn enorm, zonder goede verklaring.
We vragen artsen en ziekenfondsen daarom om tegen midden 2027 een onderhandeld kader uit te werken, zowel voor de ambulante sector als voor ereloonsupplementen in ziekenhuizen. Dat mag voor mij zeer fijnmazig en gedifferentieerd zijn, per discipline. Het hoeft geen eenheidsworst te zijn. Maar de excessen bij een kleine minderheid van verstrekkers en ziekenhuizen moeten echt wel de wereld uit.
Ziet u op korte termijn een oplossing voor de lage conventioneringsgraad in bepaalde specialismen?
Met het regeerakkoord in de hand zou ik op korte termijn een plafond op ereloonsupplementen kunnen invoeren. Maar mijn positie is gematigder, en ik wil een globale benadering. We nemen voor de discussie over ereloonsupplementen tijd tot midden 2027. Ik ga ervan uit dat we tegen dan voldoende duidelijkheid hebben over de hervorming van de nomenclatuur, zodat er ook bij de artsen vertrouwen is om een akkoord te sluiten over de beperking van ereloonsupplementen.
Sommige specialisten, bijvoorbeeld de dermatologen, zeggen dat de huidige tarieven te laag zijn, en dat ze daarom wel gedwongen zijn een supplement te vragen.
Dat is een deel van de discussie over de nomenclatuur, en ik ga daar niet op vooruitlopen. Maar het probleem in de gezondheidszorg is dat men zich vooral binnen de sector vergelijkt, met wat andere specialismen verdienen. Men moet ook kijken naar wat mensen in de brede samenleving verdienen.
Het is een gevoelig debat. Ik hoop dat we in de loop van dit jaar een eerste geïntegreerd voorstel op tafel krijgen, op basis van het werk van de universitaire equipes, die veel input kregen van artsen-specialisten op het terrein. Dat wordt de basis voor de herijking van de nomenclatuur zowel voor consultaties en toezichten als voor technische prestaties.
We moeten ook duidelijkheid scheppen over welk deel van het huidige honorarium dient voor de honorering van het intellectuele werk, de inzet en de verantwoordelijkheid, en welk deel bestemd is voor de kosten om het werk mogelijk te maken: uitrusting, materiaal, enzovoort. Hiervoor zal een voorstel komen, becijferd door de FOD Volksgezondheid en het RIZIV, op basis van wetenschappelijke input.
Wanneer die puzzelstukken de komende maanden op tafel liggen, kan het grote debat over de nieuwe nomenclatuur beginnen. Ik hoop dat artsenorganisaties en ziekenfondsen dan ook het debat kunnen starten over het op een fijnmazige, mogelijk zeer gedifferentieerde manier beperken van de ereloonsupplementen.
Morgen (24 maart, red.) vat de Commissie Volksgezondheid de bespreking van de Kaderwet aan. Verwacht u dat uw bijgestuurde ontwerp nog gewijzigd wordt?
We hebben over de Kaderwet uitvoerig overlegd, met de ziekenfondsen, maar vooral met de artsenorganisaties. Er is veel geschaafd aan de initiële teksten. Een voorbeeld: ik ben geen liefhebber van partiële conventionering, omdat dat voor patiënten onduidelijk is. In de eerste versie werd de partiële conventionering daarom onmogelijk. Maar onderhandelen is onderhandelen: ik heb dat laten vallen. Ook andere zaken zijn verdwenen, bijvoorbeeld het onderscheid in kwaliteitspremies voor geconventioneerde en niet-geconventioneerde artsen.
De teksten zijn voorgelegd aan het Verzekeringscomité, de Raad van State en waar nodig aan de Gegevensbeschermingsautoriteit, en ze zijn nog eens teruggekeerd naar het Verzekeringscomité. Op vraag van de Raad van State hebben we een proportionaliteitstoets gedaan, wat eerlijk gezegd veel copy-paste reacties opleverde, maar goed, dat hoort erbij. Ik denk dat we nu een evenwichtige tekst hebben. Ik verwacht dan ook geen verdere amendering meer.
Wij horen dat artsen de mogelijkheid om een RIZIV-nummer op te schorten nog steeds te vaag en ruim vinden.
Ik zou vragen dat men goed kijkt naar wat we uiteindelijk hebben afgesproken, en ook naar de nieuwsberichten van de voorbije maanden. Er zijn situaties van gangsterisme – gelukkig zeer uitzonderlijk – met zorgverstrekkers die blijven frauderen, desnoods met nieuwe vennootschappen. Op een bepaald moment moet je kunnen zeggen: sorry, wij aanvaarden geen facturen meer van u. Anders betaalt zo iemand een boete en begint dan opnieuw, of wordt hij naar het parket gestuurd maar factureert intussen door.
Een RIZIV-nummer zal in twee situaties opgeschort kunnen worden. Ten eerste: tijdens de opschorting van het visum door de Federale Toezichtcommissie of wanneer de Orde een verbod om praktijk te voeren heeft beslist. Vaak is dat omdat iemand een gevaar vormt voor patiënten, bijvoorbeeld door verslaving – wat helaas overal in de samenleving voorkomt. Tweede situatie: een ernstige inbreuk waarover de Kamer van Eerste Aanleg van het RIZIV oordeelt, niet de leidend ambtenaar. Dat gaat over zware inbreuken, minstens 35.000 euro niet-terugbetaald bedrag ondanks aanmaning. Als alternatief voor een boete kan de Kamer van Eerste Aanleg beslissen om het RIZIV-nummer op te schorten. Die Kamer van Eerste Aanleg is een rechtbank binnen het RIZIV, met een magistraat en paritaire samenstelling, inclusief artsenorganisaties. Ik heb daar geen zeggenschap in en ik zou dat ook niet willen. Ik weet niet welke extra garanties we nog moeten bieden. Het zijn procedures voor een paritaire rechtbank.
We doen dit ook ter verdediging van de talloze hardwerkende artsen, kinesitherapeuten, tandartsen en thuisverpleegkundigen. De berichten over fraude zijn een affront voor de grote meerderheid die correct werkt. Laten we zulke situaties in de toekomst in de kiem smoren.
'De Kaderwet gaat over meer dan supplementen en de opschorting van het RIZIV-nummer'
Ik wil ook graag benadrukken dat de Kaderwet over veel meer gaat dan supplementen en de opschorting van het RIZIV-nummer. De Kaderwet verbetert bijvoorbeeld de manier waarop de gezondheidszorgbegroting tot stand komt en bewaakt wordt. Die procedures zijn vandaag, eerlijk gezegd, een poespas. De begrotingsopmaak houdt voortaan rekening met prioriteiten vastgelegd door de commissie Gezondheidszorgdoelstellingen onder leiding van prof. Schokkaert. Dat lag gevoelig. Met name de ziekenfondsen waren niet altijd enthousiast over de manier waarop we de dialoog tussen overheid en actoren hier vormgeven en, vooral, veel transparanter maken.
Een ander onderdeel: de digitalisering. In 2029 moeten alle zorgverleners digitaal kunnen communiceren met ziekenfondsen en RIZIV. Voor oudere artsen voorzien we uitzonderingen en in bepaalde gevallen blijft papier mogelijk.
De Kaderwet maakt ook het conventiesysteem aantrekkelijker, onder meer door flexibiliteit binnen conventietarieven, zoals nu al bestaat bij tandartsen. Geconventioneerde artsen kunnen voor bepaalde, afgesproken prestaties een keuzemogelijkheid krijgen: voor een individuele patiënt kunnen ze dan een hoger richttarief aanrekenen, bijvoorbeeld voor innovatieve verstrekkingen die nog niet terugbetaald zijn. De patiënt wordt beschermd door de maximumfactuur: wie aan het plafond zit, betaalt niet meer. Dit is beter dan het huidige Wilde Westen van supplementen.
Wat vindt u van het voorstel van de Orde der artsen om zijn werking te moderniseren?
De modernisering van de Orde staat in het regeerakkoord, en het is dus goed dat er een voorstel ligt. Vandaag is er een gebrek aan helderheid over wat de Orde beslist; het blijft allemaal erg binnenskamers. De procedures zijn ook niet altijd aangepast aan deze tijd. We gaan het voorstel met de Orde bespreken op 30 april.
Vlaanderen heeft de quota voor studentengeneeskunde fors opgetrokken. Hoe staat u daar tegenover?
Laat ons daar evidence-based werken. De Nationale Planningscommissie gaat binnenkort cijfers voorleggen die zijn gebaseerd op een wetenschappelijke methode. Die cijfers houden rekening met het evoluerend activiteitsprofiel van jonge artsen en de toestroom uit het buitenland. Die moeten dan gelegd worden naast de cijfers die in de regio's op tafel liggen. Ik pleit voor overleg en een beetje sereniteit rond dat dossier. Een goede planning is nodig voor de kwaliteit van de opleiding. Je kan niet een faculteit geneeskunde of tandheelkunde overspoelen met veel meer studenten dan die faculteit aan kan.
In de voorbije legislatuur heeft de Vlaamse regering de kans gemist om in overleg te gaan over die cijfers. Het resultaat daarvan is dat tientallen jonge Vlamingen niet aan de studies van tandarts of arts zijn kunnen beginnen, terwijl de federale quota dat perfect hadden mogelijk gemaakt. Ik pleit dus voor overleg, maar ga daar ook niet op vooruitlopen. Het is nu een discussie die zwanger is van de symboliek, maar ik zou willen dat ze zwanger is van de echte noden.