Pediatrie
Cybervictimisatie: een specifieke correlatie met angst tijdens de adolescentie
Cybervictimisatie is een groot probleem geworden voor de volksgezondheid en veroorzaakt geestelijke gezondheidsproblemen bij jongeren. Er is echter nog discussie over het belang van die correlatie. In 2026 is in The Lancet Child & Adolescent Health een studie gepubliceerd die een grote cohorte van tweelingen heeft gevolgd tot de leeftijd van 18 jaar, om na te gaan of cybervictimisatie al dan niet verantwoordelijk is voor psychiatrische problemen op het einde van de adolescentie.
De auteurs hebben voor hun studie de Britse E-Risk-cohorte geanalyseerd. Die telt 2.232 tweelingen geboren in 1994 of 1995. Cybervictimisatie werd gedefinieerd als herhaald en opzettelijk onlinemisbruik of cyberpesten en werd geëvalueerd tijdens een gesprek op de leeftijd van 12 tot 18 jaar. De cybervictimisatie werd ingedeeld volgens de ernst. Op de leeftijd van 18 jaar werden eventuele psychiatrische diagnoses geregistreerd.
Meerdere correlaties, vooral met angst
Bij de eerste analyses correleerde cybervictimisatie tussen de leeftijd van 12 en 18 jaar met een hoger risico op veralgemeende angststoornis, depressie in engere zin, automutilatie, zelfmoordgedrag, posttraumatische stressstoornis, gedragsstoornissen en psychotische ervaringen op de leeftijd van 18 jaar. De odds ratio van posttraumatische stressstoornis en angst was bijzonder hoog. Na correctie voor het geslacht, het sociaaleconomische niveau, het intelligentiequotiënt, de psychiatrische voorgeschiedenis op de leeftijd van 12 jaar, eerdere victimisatie, eenzaamheid en problematisch computergebruik waren de correlaties minder sterk, maar al bij al bleven ze overeind.
De vorsers hebben hun studie uitgevoerd bij eeneiige tweelingen om te kunnen controleren voor gemeenschappelijke genetische en omgevingsfactoren. Zelfs als rekening werd gehouden met alle vormen van geweld buiten een digitale context tijdens de adolescentie, correleerde cybervictimisatie in dat model specifiek met een veralgemeende angststoornis (OR 2,14; 95% BI: 1,18-3,88). Dat wijst erop dat cyberpesten een specifiek effect heeft.
Polyvictimisatie
Cybervictimisatie is vastgesteld bij 20,3% van de adolescenten, maar in 97,6% van de gevallen was dat in een context van minstens één andere vorm van geweld in het reële leven. Cybervictimisatie blijkt maar zelden een geïsoleerd verschijnsel te zijn. Een groot aantal van de aanvankelijk beschreven correlaties met psychiatrische problemen is te verklaren door een bredere blootstelling aan geweld.
Een aanzienlijk aantal correlaties is te wijten aan offlinegeweld, maar volgens de auteurs zouden bepaalde kenmerken die eigen zijn aan cyberpesten, specifieke angstmechanismen in de hand kunnen werken. De anonimiteit van de belager, het potentieel onbeperkte publiek, de permanentie en de verspreiding van de inhoud zouden kunnen leiden tot een persisterend verhoogde waakzaamheid. Gezien die bevindingen is volgens de kinderarts waakzaamheid geboden. Spoor stelselmatig online- of offlinegeweld op en houd er rekening mee dat cybervictimisatie een bijzonder relevante oorzaak van angstsymptomen bij adolescenten is.
Referentie:
Thériault-Couture F, Blangis F, Dooley N, Fisher HL, Matthews T, Odgers CL, et al. Cybervictimisation and mental health conditions in young people: findings from a nationally representative longitudinal cohort. Lancet Child Adolesc Health. 2026;10:94-102. doi:10.1016/S2352-4642(25)00311-6.

