Focus on European Congress of Endocrinology
Meest recente inzichten in obesitas (2): de toekomst
De erkenning van obesitas als neuro-endocriene aandoening brengt mee dat er doelgerichte behandelingen werden ontwikkeld en er nog tal van veelbelovende middelen in aantocht zijn.
Op het ECE gaven prof. Liesbeth Van Rossum (Rotterdam) en prof. Thomas Lutz (Zurich) ons alvast een blik op de toekomst.
Gepersonaliseerde aanpak
Bij de behandeling van obesitas is er niet zoiets als ‘one fits all’. Er zijn levensstijlaanpassingen, eventueel gecombineerd met cognitieve gedragstherapie, er is bariatrische heelkunde en farmacotherapie die best individueel bepaald wordt. Naast de GLP1- en GIP-receptoragonisten (RA) is er naltrexon (een opioïdeantagonist) in combinatie met bupropion (een noradrenaline- en dopamineheropnameremmer) dat op de honger- en beloningscentra van de hypothalamus inwerkt. Er is orlistat dat gastro-intestinale lipasen inhibeert en ook metformine off-label kan bij sommige mensen de eetlust onderdrukken en hyperfagie tegengaan.
Genetica aan de basis
De identificatie van aan obesitas verbonden genen (Ob-gen, MC4R-gen, FTO-gen) en het leptine-melanocortinepad effende de weg voor de ontwikkeling van specifieke medicatie zoals de melanocortinereceptoragonist (MC4-RA) setmelanotide, voor (mono)genetische obesitas. Daarna vormden de gekende GLP1- en GIP-RA de grootste doorbraak, waarbij er naast de bestaande producten een rijke pipeline is met ongeveer 140 nieuwe middelen in ontwikkeling: naast een nieuwe generatie mono GLP1-RA en nieuwe dual GLP1-RA en GIP-RA, zien we ook triple-agonisten (GLP1-, GIP- en glucagon-RA), combinaties van GLP1-RA en Glucagon-RA, en zelfs een product met een vijfledige werking: GLP1-RA + GIP-RA + PPARa/g/d.
A new kid on the block: amyline
Amyline is een hormoon dat samen met insuline wordt gesecreteerd door b-cellen en dat voornamelijk op de area postrema van de hersenstam inwerkt. Het is een verzadigingshormoon dat ook de maaglediging vertraagt en de postprandiale glucagonsecretie vermindert. De receptor waar amyline op ageert is eerder complex: er is een calcitoninereceptor en er zijn verschillende ‘receptor activity modifying proteins’ of RAMPs. In dierenmodellen werd aangetoond dat een infusie met amyline de voedselinname (maaltijdgrootte) reduceerde waardoor de energieopname en het gewicht verminderde. Zeer belangrijk hierbij is dat de activiteit van de dieren (ratten en muizen) niet verminderde wat normaal wel wordt gezien bij gewichtsreductie. Alle data wijzen erop dat het effect van amyline in de hersenen te situeren is. Van de lange lijst met amyline-analogen in ontwikkeling zijn er twee het meest ver gevorderd: cagrilintide (fase 3-studies) alleen of in combinatie met semaglutide en eloralintide waarvan recent fase 2-onderzoek werd gepubliceerd. Andere amylineanalogen worden nu ook onderzocht in combinatie met leptine en met diverse GLP1-RA.
Samenvattend kan gesteld worden dat we op twintig jaar tijd evolueerden van een stigmatiserende aandoening waarbij ‘minder eten en meer bewegen’ de mantra was, naar de erkenning van obesitas als chronische neuro-endocriene ziekte waarvoor doeltreffende behandelingen worden ontwikkeld.
Bron:
Symposia ECE, Major Breakthroughs in endocrinology over past 20 years, Latest advances in Amylin therapeutics for obesity treatment.